Na alle zorg van o.a. juiste bemesting op het grasland komt het moment van oogsten. In het vorige artikel is het belang van een juiste bodemdruk en bodemvolging van de maaier toegelicht. Dit alles voor een mooi maairesultaat, minimale schade aan de stoppel en zo weinig mogelijk brandstofverbruik.

Afhankelijk van het type maaier en de weersomstandigheden zal het gemaaide product in Nederland vaak (en met name tijdens de 1e snede van dit jaar) eerst worden geschud en na de nodige drogingsuren worden geharkt. Het goed afstellen van de hark is sterk bepalend voor de kwaliteit ruwvoer die wordt ingekuild.

Tip 1: maai niet te diep

Eigenlijk begint het al bij het niet te diep maaien, want los product van een korte stoppel harken is lastiger om schoon op te pakken, dan bij een iets hogere stoppel. De harktanden hebben dan voldoende ruimte om het gras schoon op te rapen.

 

Tip 2: juiste toerental

De meeste harken zijn gemaakt voor max. 540 tpm op de aftakas en dat staat zo ook weergegeven op de gele waarschuwingsstickers. In de praktijk dient dit toerental een stuk lager te zijn. Afhankelijk van gewas en omstandigheden ligt het ideale toerental tussen de 350 en 500 tpm. Het gras wordt dan netjes opgepakt en krijgt ook de tijd om in het zwad neergelegd te worden.

Tip 3: bandenspanning controle

Elke veehouder zal begrijpen dat het instellen van de harkdiepte cruciaal is voor de hoeveelheid verontreiniging in het zwad: te diep afstellen betekent toename van het ruw as, maar te ondiep afstellen resulteert in verliezen en niet schoon achterlaten van het perceel.

De centrale hoogteverstelling van een hark gaat meestal via een mechanische draaispindel of eventueel elektrisch/hydraulisch: het wielstel onder de rotor wordt omhoog/omlaag versteld, zodat harkdiepte wordt aangepast. Het is dan van belang dat alle wielen onder de rotor (meestal 4 of 6) dezelfde bandenspanning hebben, want de harktanden “volgen” de loop van de wielen.

 

Tip 4: de 1-2-3 regel

De rotor van een hark bevat curvebaan-gestuurde tandarmen, waardoor de tanden vanaf de buitenkant gras kunnen oppakken en aan de binnenkant weer neerleggen. De hoeveelheid gras die de tand “voor z’n kiezen” heeft, verandert gedurende de cyclus. Zodra de tand aan de buitenkant van de werkbreedte naar beneden zakt, duwt er eerst een kleine hoeveelheid gras tegen de veertand. De hoeveelheid gras voor de tand (en daarmee de weerstand) wordt steeds meer naarmate de tand het zwad nadert. De tand zal daardoor iets naar achter wijken en tegelijk iets omhoog.

Het is daarom belangrijk om de wielen onder de rotor af te stellen volgens het “1-2-3”-principe op een vlakke ondergrond: de tandhoogte bij het buitenste wiel gemeten moet iets hoger afgesteld worden (1cm) dan de tandhoogte bij het voorste wiel (2cm) en tenslotte de tand nabij het binnenste wiel (3cm). Vervolgens kan met de centrale hoogteverstelling de juiste harkhoogte in het veld afgesteld worden. Zie bijgaande afbeelding.

De hoogte van alle wielen kan bij de Vicon harken worden afgesteld volgens deze methode voor schoon en nauwkeurig harkwerk, waarbij de capaciteit optimaal blijft. 

Tip 5: de curvebaan afstelling

De Vicon ProLine harken zijn voorzien van een verstelbare curvebaan. Via een zeskantige as (te vinden onder de rotor – zie foto) is af te stellen of het gras
eerder of later wordt opgepakt en losgelaten. Afhankelijk van de omstandigheden (o.a. vochtigheid / hoeveelheid suiker / wind / lengte gewas) kan met deze curvebaan verstelling de zwadvorm worden geoptimaliseerd. Hierdoor zijn er minder verliezen en wordt het proces van oprapen door de oogstmachine eenvoudiger.

Hebben wij jou interesse gewekt? Bekijk dan al onze harken

------------------------------------------------------------------------------------------------

Jelle Hospes

Productmanager Vicon | Kverneland Group Benelux

Juni 2021